OPINIE Ook veel ouderen kampen met armoede

In de berichtgeving over armoede in Nederland ging het vooral over armoede bij kinderen. Maar bij een andere groep is het risico op armoede ook groot: alleenstaanden in de AOW-leeftijd. Er is sprake van framing als het gaat over armoede. Vele media berichtten
naar aanleiding van de publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over armoede uitsluitend over de cijfers ten aanzien van armoede bij kinderen, wat in feite overigens armoede bij de ouders is.

Bekijkt men echter enkele pagina’s van CBS-rapport beter, dan ziet men hoe het écht zit met de armoede in Nederland. Het CBS zegt namelijk: ‘Alleenstaanden onder de AOW-leeftijd staan op de tweede plek in de rangorde van huishoudens met een hoog armoederisico: één op de vijf had in 2018 een inkomen onder de lage-inkomensgrens, net als in voorgaande jaren.’
Het grootste deel van de armoedeproblematiek ligt bij de alleenstaanden in de AOW-leeftijd.

En wie de grafiek bij deze tekst bekijkt, ziet dat het armoederisico per huishoudenstype in 2018 voor alleenstaanden in de AOW-leeftijd 20
procent bedraagt. Het risico op een langdurig (vier jaar of meer) laag inkomen is 11 procent. Voor het eenoudergezin met uitsluitend
minderjarige kinderen bedraagt dit risico 21 procent en het risico op een langdurig laag inkomen ongeveer 7 procent.
Daaruit trekt het CBS terecht de conclusie dat ruim een op de tien alleenstaanden onder de AOW-leeftijd in 2018 al langdurig gebukt ging
onder een laag inkomen. Daarmee staat deze groep aan kop als het gaat om langdurige armoedeproblematiek.

Men zal zeggen: wat maakt het uit? Het is toch duidelijk dat het armoederisico onder eenoudergezinnen het grootste is, op de voet
gevolgd door alleenstaanden? Maar percentages zijn misleidend! Een hoog percentage in een kleinere groep kan qua aantallen lager liggen dan een lager percentage in een grotere groep. Dat is hier het geval.

Zie daarvoor een citaat van het CBS: ‘De bijdrage van de eenoudergezinnen aan de omvang van de gehele armoedeproblematiek in
Nederland is relatief beperkt. Dat komt omdat het aantal eenoudergezinnen met minderjarige kinderen in Nederland met nog geen
300.000 in 2018 verhoudingsgewijs klein is. Het aantal alleenstaanden onder de AOW-leeftijd is met ruim 1,6 miljoen aanzienlijk groter, zodat het relatief hoge aandeel van deze groep met een armoederisico doorslaggevend is in het totale aantal huishoudens met
armoedeproblematiek.’

De conclusie van het CBS: van alle huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens in 2018 kwam 57 procent voor rekening van alleenstaanden onder de AOW-leeftijd; van de huishoudens met een langdurig laag inkomen was dat 65 procent. Kortom, het grootste deel van de armoedeproblematiek ligt bij de alleenstaanden onder de AOWleeftijd en niet bij de eenoudergezinnen.

Bezuinigen 
Toch berichtten media naar aanleiding van dit rapport veelal uitsluitend over armoedecijfers bij eenoudergezinnen. Ik noem dit doelbewuste
framing, want armoede bij kinderen doet het bij het grote publiek veel beter dan armoede bij alleenstaanden. Dat laatste interesseert maar
weinig mensen.

Wethouders die moeten of willen bezuinigen op het armoedebeleid, maken hier ook handig gebruik van. Het werkt zo: het totaalbudget moet lager, maar je moet het ook aan je gemeenteraad verkopen. Voor de kleinste groep, de eenoudergezinnen, maak je wat extra regelingetjes. Want kinderen die in armoede opgroeien: dat kan niet, nietwaar? En de gemeenteraad gaat akkoord, want die vindt dat ook. Van de veel grotere groep in armoede, de alleenstaanden, laat je wat maatregelen verdwijnen en je poetst je cijfers over kinderen in armoede in jouw gemeente flink op.
Moet je dan niet schrijven over armoede bij eenoudergezinnen?
Natuurlijk wel, maar zwijg alleenstaanden in armoedesituaties niet dood. Het is niet of of, maar en en!


Johan Bakker is secretaris van de Vereniging Platform Een- en
Tweepersoonshuishoudens Leeuwarden (PEL)